Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP1651

Datum uitspraak2004-05-27
Datum gepubliceerd2004-06-15
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/813 CSV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bestreden besluit wordt niet langer gehandhaafd. Procesbelang. Niet-ontvankelijkverklaring.


Uitspraak

02/813 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. F. van der Hoef, advocaat te Bergum, op daartoe nader aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, nr. 98/2064, van 19 december 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is, gevoegd met drie andere beroepszaken van appellant, behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 april 2004. Appellant is in persoon verschenen en namens gedaagde is verschenen mr. drs. R.H.L. Niehof, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Ter zitting heeft gedaagde medegedeeld het bestreden besluit van 18 januari 1999 niet langer te handhaven. Nu niet is gebleken van enig belang van appellant bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. De Raad ziet aanleiding gedaagde te veroordelen in de kosten die appellant in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 322,-- uit hoofde van verleende rechtsbijstand. Voor veroordeling in de proceskosten in verband met het beroep bij de rechtbank bestaat geen aanleiding, nu de rechtbank deze kosten reeds heeft toegewezen. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht ad € 82,-- aan hem vergoedt. Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2004. (get.) R.C. Schoemaker. (get.) A. Kovács.